Telefoon en gemeentepolitiek

De gevolgen van de uitvinding van de telefoon werden in 1877 merkbaar in Nederland. De Rijkstelegraafdienst ging in en rondom Den Haag experimenten uitvoeren met de telefoon, volgens het systeem van Bell, de Amerikaanse uitvinder van het stelsel. Voor de elektrische verbindingen werden bestaande telegraaflijnen gebruikt. De ervaringen waren door storingen op de telegrafielijnen beperkt bevredigend. Particulieren, gemeente-instellingen als brandweer en politie en bedrijven zagen wel degelijk een bruikbare toepassing voor lokale en private omgevingen. Door de ingebruikneming van telefooncentrales als schakelmiddel werd het mogelijk om een openbaar communicatienet te realiseren. Bedrijven, zoals bijvoorbeeld de International Bell Telephone Company vroegen vergunningen aan voor mogelijke exploitatie van een lokaal telefoonnet. En hier begon de inmenging van nationale en lokale politiek: wie of welke instantie had de bevoegdheid om een exploitatievergunning te verlenen? Was het de Rijkstelegraafdienst waarbij er van uit werd gegaan dat de telefonie binnen de Telegraafwet van 1852 moest worden geregeld of had de lokale overheid het voor het zeggen. In 1881 was de minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid van mening dat de telefoon niets anders was als een telegraaftoestel. Dus werd de telefonie geregeld via genoemde telegraafwet. En was er van een aparte Telefoonwet nog geen sprake. Waardoor de bevoegdheid voor het verlenen van een vergunning voor de aanleg van telefoonvergunningen en exploitatie bij de minister kwam te liggen. Een situatie die er ook toe leidde dat telegrammen via telefoonlijnen konden worden overgebracht. Tot 1881 werden alleen telefoontoestellen van Duits fabrikaat(Siemens & Halske) toegepast. Maar omdat deze technisch inferieur waren, werd daarna de voorkeur gegeven aan Franse, Engelse en Amerikaanse toestellen. Voor de aanleg van een telefoonlijn en de expoitatie van een lokaal telefoonnet was dus toestemming nodig van de Rijksoverheid. Dit sloot in de praktijk echter niet uit dat ook een extra gemeentelijke vergunning nodig was. Niet onlogisch omdat voor de telefoonlijnen middels palen en lijnen gebruik van gemeentegronden en -wegen noodzakelijk was. De gemeente had het in de hand hoe dit moest plaatsvinden. Zie de complicatie: twee instanties die beslisten. In Amsterdam, Rotterdam en later ook in Leiden begonnen telefoonmaatschappijen direct na de concessie-aanvragen abonnees te werven. Bijvoorbeeld begon in 1881 de firma Kaakebeeke uit Goes vergunning aan te vragen voor het aanleggen van telefoonnetten in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Zij richtte daarvoor de Nederlandsche Maatschappij voor Telephonische Verbindingen op.

Plaats een reactie